Cultuurgeschiedenis

De Indiase cultuur is in de eerste plaats religieus wat haar thema's en ontwikkelingen betreft, wil men deze kunst waarderen dan is enige voorkennis van haar religieuze achtergronden ook vereist.
Maurya
De vroegste Indiase kunstvoorwerpen zijn in de Indus Vallei in het gebied wat het huidige Pakistan bestrijkt gevonden. De gevonden voorwerpen bestaan meestal uit kleine beeldhouwwerkjes, pas onder de Maurya-periode (321 BC) kan man spreken van India's eerste artistieke bloeiperiode. Deze klassieke school van Boeddhistisch kunst had haar hoogtepunt onder de heerschappij van Ashoka (±262 BC). Goede voorbeelden van deze magnifieke sculptuur kunnen het beste in Sanchi bekeken worden. De Sungas (184 tot 70 BC), die de Mauryas opvolgden hebben deze artistieke tradities verder voortgezet.
Gandhara

Met het verval van het Sunga rijk komt de Gandhara periode op in het noord-westen. Deze kunst moeten we dicht bij Peshawar in het huidige Pakistan situeren. in de Gandhara periode werd het Boeddhisme gecombineerd met een sterke Griekse invloed die afkomstig was van de nakomelingen van het leger van Alexander de Grote. Gedurende deze periode ging men de Boeddha direct in menselijke vorm afbeelden, in tegenstelling tot de daaraan voorafgaande periode waarin men hem slechts symboliseerde door middel van voetstappen en stupa's.
In de tussentijd begon zich een andere school te ontwikkelen, deze was gesitueerd in Mathura, tussen Agra en Delhi. De religieuze invloed was hier evenzo Boeddhistisch, maar dit begon te veranderen met de heropleving van de voorloper van het Boeddhisme, het Brahmanisme. Het was in deze school dat de traditie van het beeldhouwen van 'yakshinis', de zeer rijk begenadigde hemelse jonkvrouwen, begon.
Gupta
De Gupta periode, van 320 tot 600 AD, was de gouden eeuw voor de Indiase kunst, het was gedurende deze periode dat de Boeddhabeelden zich tot haar huidige vorm ontwikkelden, en zelfs tegenwoordig zijn in veel Boeddhistisch landen de houdingen, aankledingen en posities van de hand maar weinig veranderd. Deze periode vormt tevens het einde van de boeddhistische kunst in India, het Hindoeïsme begon weer op te komen.
Tegelijkertijd met dat de Gupta's het Boeddhisme in het noorden naar het uiteindelijke hoogtepunt brachten, begon zich in het zuiden een sterke Hindoe traditie te ontwikkelen. Deze beide kunststromingen produceerden metaal gegoten beelden door gebruikmaking van een later verloren gegane wasmethode, de grotere beelden vervaardigden ze uit steen.
Middeleeuwen
De hierop volgende 1000 jaar vormden een weelderige middeleeuwse
periode waarin de Hindoeïstische kunst zich langzaam maar gestaag
ontwikkeld. Deze ontwikkelingen kunnen bestudeerd worden in de grotten
van Ajanta en Ellora, hier kan men enkele van de oudste
muurschilderingen in India vinden, aan de sculpturen kan men zien dat
er een ontwikkeling plaats vindt van de oude stijve en statische
Boeddha's naar de dramatische en dynamische Hindoe figuren.
Deze
bereikten hun hoogtepunt in de periode waarin de beeldhouwkunst een
integraal onderdeel begon te vormen van de architectuur, zodanig dat
men niet meer kan onderscheiden waar de beeldhouwkunst begint, en waar
de architectuur eindigt.
De beste voorbeelden van deze periode kunnen aanschouwt worden in de Hoysala tempels van Karnataka, de doorwrochte zonnetempel in Konarak en de Chandelas' tempels in Khajuraho. In al deze gevallen valt een heldhaftige wedijver tussen architectuur en kunst te zien, waarbij een hoge kwaliteit met een achtenswaardige kwantiteit gecombineerd wordt.
Interessant zijn de zeer gedetailleerde erotische scènes. De hemelse maagden van een vroegere periode zijn hier zodanig tot bloei gekomen, dat de scènes, posities en mogelijkheden weinig meer aan de fantasie overlaten. De kunst van deze periode stelde zich niet enkel tot doel om goden en godinnen af te beelden, ieder aspect van het dagelijks leven kreeg een plaats in de beeldhouwkunst. En overduidelijk blijkt dat sex in die periode gezien werd als een belangrijk aspect van het leven.
Mogol

De komst van de Moslims, hun haat tegen andere religies, en hun afkeer van afgoderij heeft een enorme schade berokkend aan de Indiase artistieke relieken. Onder de Mogols (1527-1707 AD) onderging de Indiase kunst echter weer een andere gouden periode.
De meest bekende door hun aangemoedigd kunstvormen zijn de miniatuurschilderingen. Deze aangenaam gedetailleerde en helder gekleurde afbeeldingen laten de gebeurtenissen en activiteiten zien van het paleis leven van de Mogols. Andere bedreven vormen zijn de portretkunst, en studies van natuur- en dierenleven.
Tegelijkertijd vond er een grootse herleving van de volkskunst plaats; het concept van de Mogol miniatuur werd hier gecombineerd met de Indiase religieuze kunst. De populaire Rajasthan of Mewar scholen beelden vaak scènes uit van Krishna's leven en zijn avonturen waarbij hij altijd in het blauw afgebeeld wordt. Interessant is dat deze scholen zich wat haar miniaturen en haar gedetailleerde aanpak betreft, baseren op de door de Perzen beïnvloedde Mogol school, maar dat zij het gebruikte perspectief van de Mogol school nu juist weer niet volgen, want bijna al hun werk is tweedimensionaal.
In het noorden van India; in Jammu, Basholi en Kangra, zien we dat de Pahari miniaturen zich qua perspectief weer wel baseren op de Mogol school, maar wat hun religieuze thema's betreft staan ze weer dichter bij de Rajasthan school. De Basohli schilderingen zijn erg donker en maken veel gebruik van goudkleuren, terwijl de Pahari schilderingen vaak bleek en delicaat zijn.
De grootste verworvenheden van de Mogols liggen echter in het vlak van de architectuur, en het is voornamelijk vanwege hun magnifieke gebouwen dat ze nog in de herinnering zijn blijven voortleven. Na de Mogols is er geen belangrijke artistieke periode meer geweest met een zuiver Indiase achtergrond.
Gedurende de Britse periode neemt de imitatie van Britse trends en idealen een belangrijke plaats in. De vele Britse kunst in India is vaak meer van belang als historisch werk, dan als op zich zelf staand kunstwerk.
