Gandhi en passieve weerbaarheid

In 1915 kwam Mohandas Gandhi terug uit Zuid Afrika waar hij als advocaat werkzaam was geweest, en zich geheel gegeven had in de strijd tegen de onrechtvaardige situatie waarin de vele Indiërs zich bevonden. Toen hij weer terug kwam in India gaf hij al zijn krachten aan de strijd voor onafhankelijkheid. Het bloedbad van Amritsar in 1919, toen een Brits leger contingent het vuur opende op een menigte ongewapende demonstranten, speelde hier een belangrijke rol in. Gandhi, die vervolgens bekend werd als Mahatma, de `great soul', adopteerde een politiek van passief verzet ofwel `satyagraha' tegen de Britse heerschappij. Zijn belangrijkste verworvenheid was dat hij het niveau van de onafhankelijkheidsstrijd van de middenklasse naar het dorp bracht. Hij leidde bewegingen tegen de onrechtvaardi¬ge zout belastingen en voor een boycot van Britse textiel, dit was voor de Britten de reden om hem diverse malen gevangen te zetten.
Vele anderen wezen Gandhi's geweldloze politiek van non-coöperatie af, waardoor de strijd bij tijd en wijle een bitter en bloedig karakter kreeg. Niettemin stonden Mahatma Gandhi en de Congres partij in het voorste gelid, het was echter pas na de Tweede Wereldoorlog dat er een definitieve oplossing gevonden zou worden. Tegen die tijd was onafhankelijkheid onoverkomelijk, de strijd had het kolonialisme de laatste doodklap gegeven, en het was gedaan met de mythe van de Europese superioriteit. Engeland had niet langer meer het verlangen of de macht om hier een uitgestrekt rijk te behouden, maar binnen India zelf had zich inmiddels een groter probleem ontwikkeld. De grote Moslim minderheid realiseerde zich dat een onafhankelijk India tevens een door Hindoes gedomineerd India zou zijn, en dat Gandhi's eerlijke benadering van gelijke berechtiging niet door iedereen in de Congres Partij gedeeld werd. De bereidheid om de macht te delen was hier niet erg groot.
