Theeplantages
Thee (chai) wordt over de hele wereld gedronken. Het begon in China, waar het drinken van thee in de Tang-dynastie uitgroeide tot een verfijnde cultus. De Portugezen en Nederlanders introduceerden de thee in Europa. De Engelse koning Charles II huwde een Portugese prinses die veel thee dronk en zo werd het geïntroduceerd aan het Britse hof en onder de Britse elite. Het werd op een gegeven moment gebruik om tussen de lunch en het diner een high tea te serveren. De enorme toename van importen uit China, waaronder veel thee, deed de handelsbalans voor Engeland geen goed. Het antwoord was opium en het elders verouwen van thee, in India. De Indiase thee komt van een variant van de theeplant die in 1823 werd geïntroduceerd in Assam (rond Darjeeling). Al snel werd de plant ook op de helleingen van Kerala geplant, rond Munnar.
De theestruiken worden een tot anderhalve meter van elkaar geplant op speciaal geprepareerde terrassen om de irrigatie te kunnen controleren en erosie tegen te gaan. Tussen de theestruiken worden bomen geplant om schaduw te geven. De theestruiken zouden in het wild uitgroeien tot meer dan 10 meter hoogte, maar ze worden zorgvuldig gesnoeid en blijven zo iets meer dan een meter hoog. De plant wordt na 4 jaar voor het eerst geoogst en produceert 40-50 jaar lang theebladeren.
Per hectare zijn er 4 tot 5 arbeiders nodig om de velden te onderhouden en de thee te plukken. De theebladeren worden met de hand geplukt. Een ervaren plukker haalt 30 kg theebladeren per dag. Om 1 kg zwarte thee te maken zijn 4 kg bladeren nodig en 1 plant produceert omgeveer 70 kg zwarte thee per jaar.
